Conceptueel model maken voor je scriptie: zo vertaal je theorie naar een helder onderzoeksmodel
Je theoretisch kader begint ergens op te lijken. Je hebt begrippen gedefinieerd, theorieën besproken en onderzoek gevonden over mogelijke relaties.
En dan zegt je begeleider: “Kun je hier ook een conceptueel model van maken?”
Veel studenten openen op dat moment Word of Canva, zetten een paar vakjes neer, trekken wat pijlen en hopen dat het klopt.
Dat is precies andersom.
Een goed conceptueel model begint niet bij het tekenen. Het begint bij de vraag:
Wat verwacht ik op basis van mijn theorie dat met elkaar samenhangt en waarom?
Pas als je die redenering kunt uitleggen, kun je haar samenvatten in een model.
1. Vraag: hoe maak je een conceptueel model voor je scriptie?
Een conceptueel model maak je door eerst te bepalen welke begrippen of variabelen nodig zijn om je onderzoeksvraag te beantwoorden.
Daarna bepaal je op basis van theorie en eerder onderzoek:
welke begrippen mogelijk met elkaar samenhangen
in welke richting die relatie loopt
waarom je die relatie verwacht
hoe je die begrippen gaat onderzoeken
Pas daarna teken je de vakken en pijlen.
De simpele route is:
Onderzoeksvraag → theorie → begrippen → verwachte relaties → redeneerschema → conceptueel model → operationalisatie → analyse
Dat is eigenlijk de hele logica van je onderzoek in één regel.
2. Kort antwoord: wat is een conceptueel model?
Een conceptueel model is een visuele weergave van de belangrijkste begrippen of variabelen in je onderzoek en de relaties die je op basis van theorie tussen deze begrippen verwacht.
Het model komt dus voort uit je theoretisch kader.
Het helpt vervolgens bepalen:
wat je moet meten of onderzoeken
welke hypothesen of verwachtingen logisch zijn
welke vragen in een enquête of interview nodig zijn
welke analyses later bij je onderzoek passen
Een simpel voorbeeld: Werkdruk → Werktevredenheid
Je theoretische verwachting kan dan zijn:
Naarmate medewerkers meer werkdruk ervaren, verwachten we dat hun werktevredenheid afneemt.
Het vakje is dus niet het belangrijkste onderdeel.
De redenering achter de pijl is het belangrijkste.
3. Begin niet met tekenen
Stel dat je onderzoeksvraag is:
Welke factoren beïnvloeden de werktevredenheid van medewerkers van organisatie X?
Je hebt in de literatuur drie factoren gevonden:
werkdruk
autonomie
steun van de leidinggevende
Dan kun je vrij snel dit tekenen:
Werkdruk →Autonomie → WerktevredenheidSteun leidinggevende →
Maar waarom staan die pijlen daar?
Dat moet je theoretisch kader kunnen uitleggen.
Bijvoorbeeld:
Begrip | Wat zegt de literatuur? | Verwachte relatie |
Werkdruk | Hoge taakeisen kunnen leiden tot spanning en uitputting | Meer werkdruk hangt samen met minder werktevredenheid |
Autonomie | Controle over het eigen werk kan motivatie en welzijn vergroten | Meer autonomie hangt samen met meer werktevredenheid |
Steun leidinggevende | Sociale en praktische steun kan medewerkers helpen omgaan met eisen | Meer steun hangt samen met meer werktevredenheid |
Dit is de inhoud achter je conceptueel model.
Zonder deze redeneringen zijn je pijlen eigenlijk alleen maar grafische versiering.
4. Gebruik eerst een redeneerschema
Vooral als je model ingewikkelder wordt, zou ik studenten aanraden eerst een redeneerschema te maken.
Een redeneerschema laat stap voor stap zien hoe je vanuit theorie tot een verwachting komt.
Bijvoorbeeld:
Hoge werkdruk
↓
Medewerkers moeten meer inspanning leveren
↓
Er blijft minder tijd en energie over om te herstellen
↓
Mentale belasting neemt toe
↓
Werktevredenheid kan afnemen
Dat is veel informatiever dan onmiddellijk:
Werkdruk → Werktevredenheid
Het conceptueel model laat de relatie zien.
Het redeneerschema laat zien waarom je die relatie verwacht.

Redeneerschema versus conceptueel model
Redeneerschema | Conceptueel model | |
Doel | Uitleggen hoe je redeneert | Relaties visueel samenvatten |
Detailniveau | Relatief uitgebreid | Compact |
Gebaseerd op | Theorie en argumentatie | Uitkomst van die argumentatie |
Bevat | Tussenstappen en mechanismen | Vooral kernbegrippen en relaties |
Handig bij | Complexe redeneringen | Overzicht van onderzoeksmodel |
Het helpt voorkomen dat je allerlei pijlen tekenen die ze inhoudelijk helemaal niet kunnen verdedigen.
5. Van theoretisch kader naar conceptueel model in vijf stappen
Stap 1. Begin bij je onderzoeksvraag
Stel:
Welke factoren beïnvloeden de werktevredenheid van medewerkers van organisatie X?
Dan is werktevredenheid duidelijk een centraal begrip.
Je zoekt vervolgens in de literatuur naar factoren die kunnen verklaren waarom werktevredenheid hoger of lager is.
Je vindt bijvoorbeeld:
werkdrukautonomiesteun van de leidinggevende
Nu heb je vier relevante begrippen.
Stap 2. Controleer ieder begrip
Vraag bij ieder begrip:
Controle | Vraag |
Relevantie | Heb ik dit begrip nodig om mijn onderzoeksvraag te beantwoorden? |
Theorie | Heb ik uitgelegd wat dit begrip betekent? |
Bron | Is het gebaseerd op bruikbare literatuur? |
Onderzoekbaarheid | Kan ik dit begrip daadwerkelijk onderzoeken? |
Een begrip dat leuk klinkt maar nergens in je theoretisch kader voorkomt, hoort normaal gesproken ook niet ineens in je model.
Stap 3. Onderbouw iedere relatie
Voor iedere mogelijke pijl moet je kunnen uitleggen:
Waarom verwacht ik dat A iets te maken heeft met B?
Niet:
Ik denk dat werkdruk invloed heeft op tevredenheid.
Maar bijvoorbeeld:
Eerder onderzoek laat zien dat hoge taakeisen kunnen leiden tot meer mentale belasting. Omdat langdurige belasting samen kan hangen met een lagere tevredenheid met het werk, verwachten we een negatieve relatie tussen ervaren werkdruk en werktevredenheid.
Nu heb je een redenering.
Daarna mag er een pijl komen.
Stap 4. Bepaal wat de pijl betekent
Dit is belangrijker dan het lijkt.
Een pijl kan namelijk verschillende dingen suggereren.
A → B
kan betekenen:
A hangt samen met B
maar ook:
A voorspelt B
of zelfs:
A veroorzaakt B
Dat zijn niet dezelfde uitspraken.
Stel dat je één enquête afneemt op één moment.
Je vindt dat medewerkers met meer werkdruk gemiddeld minder tevreden zijn.
Dan kun je waarschijnlijk spreken over een verband.
Je kunt veel minder makkelijk concluderen:
Werkdruk veroorzaakt lagere werktevredenheid.
Misschien werkt het deels andersom. Misschien speelt een derde variabele een rol.
Gebruik pijlen daarom zorgvuldig en leg in je tekst uit wat ze betekenen.
6. Een eenvoudig conceptueel model
Stel je onderzoekt:
In hoeverre hangt ervaren werkdruk samen met werktevredenheid?
Dan kan je model heel eenvoudig zijn:
Werkdruk → Werktevredenheid
Met de hypothese:
Naarmate medewerkers meer werkdruk ervaren, verwachten we dat hun werktevredenheid lager is.
Daarvoor heb je geen model met twaalf vakjes nodig.
Eenvoud is juist sterk als het past bij je onderzoeksvraag.
7. Een model met meerdere factoren
Je onderzoeksvraag kan ook zijn:
Welke factoren hangen samen met de werktevredenheid van medewerkers van organisatie X?
Dan kan het model bijvoorbeeld bestaan uit:
Onafhankelijke variabelen | Afhankelijke variabele |
Werkdruk | |
Autonomie | Werktevredenheid |
Steun leidinggevende |
Visueel:
Werkdruk ↘Autonomie → WerktevredenheidSteun leidinggevende ↗
Dit kan bijvoorbeeld aansluiten bij een regressieanalyse.

Je onderzoekt dan of de verschillende factoren samenhangen met werktevredenheid en welke factor relatief sterk samenhangt met de uitkomst.
8. Wat zijn onafhankelijke en afhankelijke variabelen?
Dit zijn termen waar studenten regelmatig over struikelen.
Een afhankelijke variabele is meestal de uitkomst die je probeert te verklaren.
Bijvoorbeeld:
Werktevredenheid
Een onafhankelijke variabele is een factor waarvan je onderzoekt of deze samenhangt met die uitkomst.
Bijvoorbeeld:
Werkdruk
Dus:
Werkdruk → Werktevredenheid
Werkdruk = onafhankelijke variabele
Werktevredenheid = afhankelijke variabele
Dat betekent nog steeds niet automatisch dat je causaliteit hebt bewezen.
9. En wat zijn een mediator en moderator?
Hier gaat het regelmatig mis.
Een mediator helpt verklaren hoe of waarom een relatie ontstaat.
Bijvoorbeeld:
Werkdruk → Stress → Werktevredenheid
De gedachte is dan:
meer werkdruk kan leiden tot meer stress en die stress kan vervolgens samenhangen met lagere werktevredenheid.
Stress ligt als het ware tussen de twee begrippen.
Een moderator gaat over de vraag:
Wanneer of voor wie is een relatie sterker of zwakker?
Bijvoorbeeld:
De relatie tussen werkdruk en werktevredenheid kan minder sterk zijn wanneer medewerkers veel steun van hun leidinggevende ervaren.
Dan verandert steun dus mogelijk de sterkte van de relatie.
Je hoeft deze begrippen alleen te gebruiken als je theorie én onderzoeksopzet daar aanleiding toe geven.
Voeg geen mediator toe omdat het model er dan indrukwekkender uitziet.
10. Kan een conceptueel model ook bij kwalitatief onderzoek?
Ja, maar het model heeft dan vaak een iets andere functie.
Stel je onderzoekt:
Hoe ervaren medewerkers de invoering van nieuwe software?
Uit theorie haal je bijvoorbeeld vier mogelijke relevante factoren:
ervaren gebruiksgemak
ervaren nut
sociale invloed
ondersteuning
Je zou die als theoretische aandachtsgebieden kunnen weergeven rondom:
Acceptatie van de nieuwe software
Maar bij kwalitatief onderzoek wil je vaak ruimte houden voor ervaringen die je vooraf niet hebt bedacht.
Tijdens interviews blijkt bijvoorbeeld ineens:
vertrouwen in het management
heel belangrijk te zijn.
Dan kan dat een relevante nieuwe factor zijn.
Je conceptueel model hoeft kwalitatieve data dus niet volledig dicht te timmeren.
11. Conceptueel model en operationalisatie zijn niet hetzelfde
Ook deze twee worden vaak door elkaar gehaald.
Het conceptueel model zegt:
wat je onderzoekt en welke relaties je verwacht.
Operationalisatie zegt:
hoe je die begrippen daadwerkelijk gaat meten of herkennen in je data.
Bijvoorbeeld:
Conceptueel model | Operationalisatie |
Werkdruk | Vragen over hoeveelheid werk, tijdsdruk en taakeisen |
Autonomie | Vragen over beslissingsruimte en vrijheid in werkwijze |
Werktevredenheid | Items over tevredenheid met werk en werkomgeving |
Je gaat dus grofweg van:
Theorie naar Conceptueel model naar Operationalisatie naar Dataverzameling naar Analyse
Die stappen moeten logisch op elkaar aansluiten.
12. De vier checks voor je conceptueel model
Ik vind deze uit je oorspronkelijke tekst juist heel bruikbaar, maar ik zou ze concreter maken:
Check | Vraag die je jezelf stelt |
Theoriecheck | Heb ik ieder begrip in mijn theoretisch kader uitgelegd? |
Relatiecheck | Heb ik voor iedere pijl theoretische onderbouwing? |
Meetcheck | Kan ik ieder begrip daadwerkelijk onderzoeken of meten? |
Analysecheck | Kan ik met mijn onderzoeksopzet de getekende relaties ook echt onderzoeken? |
Als één antwoord nee is, moet je waarschijnlijk nog iets aanpassen.
Voorbeeld
Je hebt:
Leiderschapsstijl → Werktevredenheid
maar in je enquête staat helemaal niets over leiderschapsstijl.
Dan faalt je meetcheck.
Of:
Je hebt een pijl van werkdruk naar werktevredenheid getekend, maar je theoretisch kader noemt nergens onderzoek naar die relatie.
Dan faalt je relatiecheck.
13. Wanneer is je model te ingewikkeld?
Een conceptueel model wordt niet beter door meer vakjes en pijlen.
Als je dit hebt:
12 variabelen18 pijlen3 mediatoren2 moderatoren
dan moet je jezelf serieus afvragen of je dit binnen één afstudeeronderzoek allemaal kunt onderzoeken.
Een goed model is niet het model waarin alles staat wat mogelijk interessant is.
Het is het model waarin staat wat noodzakelijk is om jouw onderzoeksvraag te beantwoorden.
14. Veelgemaakte fouten
Fout | Waarom gaat dit mis? | Beter |
Eerst tekenen en daarna theorie zoeken | Je zoekt achteraf bewijs voor een model dat je al bedacht hebt | Begin bij literatuur |
Variabelen toevoegen die nergens besproken zijn | Het model sluit niet aan op je theoretisch kader | Alleen relevante en onderbouwde begrippen opnemen |
Pijlen zonder uitleg | De relatie is niet onderbouwd | Schrijf eerst de theoretische redenering |
Causaliteit suggereren | Je onderzoeksopzet kan dat misschien niet aantonen | Beschrijf zorgvuldig wat de pijl betekent |
Begrippen opnemen die je niet meet | Je kunt de relatie niet onderzoeken | Controleer je operationalisatie |
Model te groot maken | Je onderzoek wordt praktisch onuitvoerbaar | Houd alleen noodzakelijke relaties over |
Conceptueel model en operationalisatie verwarren | Het ene gaat over relaties, het andere over meten | Houd beide stappen apart |
Mediator en moderator door elkaar halen | Ze vertegenwoordigen verschillende soorten relaties | Teken eerst het redeneerschema uit |
15. Laat je model deze logische keten doorstaan
Dit zou ik als afsluitende checklist gebruiken:
Onderzoeksvraag
↓
Theoretisch begrip
↓
Onderbouwde relatie
↓
Redeneerschema
↓
Conceptueel model
↓
Operationalisatie
↓
Dataverzameling
↓
Analyse
Kun je bij iedere stap uitleggen waarom de volgende stap logisch volgt?
Dan zit je waarschijnlijk behoorlijk goed.
Kun je dat ergens niet?
Dan weet je ook meteen waar je theoretische of methodologische gat zit.
16. Toch liever hulp?
Twijfel je of je conceptueel model daadwerkelijk aansluit op je theoretisch kader, onderzoeksvraag en onderzoeksmethode?
Schrijfjescriptie.nl kan met je meekijken naar de begrippen, theoretische relaties, hypotheses, het redeneerschema, de operationalisatie en de aansluiting op je analyse.
We tekenen niet zomaar wat pijlen omdat een model er dan overtuigend uitziet. Het moet inhoudelijk te verdedigen zijn.
Zelf eerst controleren?
Leg je onderzoeksvraag, belangrijkste theoretische begrippen en voorlopige model voor aan de Schrijfjescriptie.nl GPT.
Vraag bijvoorbeeld: “Welke pijl in mijn model is nog onvoldoende onderbouwd?” of “Kun je controleren of mijn conceptueel model logisch aansluit op mijn onderzoeksvraag?”






Opmerkingen